ECLI:NL:HR:2024:508

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
28 maart 2024
Zaaknummer
22/02525
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 365a lid 2 SvArt. 70 SrArt. 72 lid 1 SrArt. 416.1.a Sr
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken bewijsmiddelen en mogelijke verjaring in opzetheling autokraken

In deze zaak stond de verdachte terecht voor opzetheling van een auto. Het hof had een verkorte uitspraak gedaan zonder de bewijsmiddelen te vermelden die ten grondslag lagen aan de bewezenverklaring. De raadsman van de verdachte verzocht om toezending van een aanvulling met de bewijsmiddelen, maar het hof gaf aan dat een dergelijke aanvulling niet was opgemaakt.

De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 359, leden 3 en 8 van het Wetboek van Strafvordering een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen moet bevatten die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Het ontbreken hiervan maakt het arrest niet in stand te houden. Daarnaast wees de Hoge Raad op de mogelijke verjaring van de strafvordering op grond van artikel 70 Sr Pro, maar aangezien hierover in cassatie niet was geklaagd, heeft de Hoge Raad dit niet inhoudelijk onderzocht.

De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof ook de verjaring zal moeten toetsen aan de hand van de eventuele stuiting door vervolgingshandelingen. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging en niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het arrest is gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Van Strien en Kuijer, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 2 april 2024.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling, inclusief toetsing van verjaring.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02525
Datum2 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 juli 2003, nummer 22-003779-02, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.R. Mantz, advocaat te Voorburg, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en het vonnis van de politierechter van 14 augustus 2002 en tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie in de vervolging.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof zijn verkorte uitspraak niet heeft aangevuld met de bewijsmiddelen die het hof heeft gebruikt.
2.2
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een uitspraak van het hof die niet de bewijsmiddelen bevat. Verder bevindt zich bij die stukken niet een aanvulling als bedoeld in artikel 365a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met daarin de bewijsmiddelen die zijn gebruikt.
2.3
De raadsman van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van die aanvulling. Daarnaar gevraagd, heeft het hof aan de Hoge Raad bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt.
2.4
Op grond van artikel 359 leden Pro 3 en 8 Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De uitspraak van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
2.6
Het vorenstaande leidt ertoe dat de Hoge Raad de uitspraak van het hof zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het gerechtshof Den Haag. Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal merkt de Hoge Raad op dat, gelet op artikel 70 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), de zaak mogelijk is verjaard. Nu in cassatie niet is geklaagd over de verjaring – die zou (kunnen) zijn ingetreden op een moment voordat de schriftuur is ingediend – heeft de Hoge Raad niet onderzocht of en, zo ja, op welk(e) moment(en) de verjaring is gestuit door daden van vervolging als bedoeld in artikel 72 lid 1 Sr Pro (vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022). Het is aan het hof na terugwijzing om, mede op basis van wat het openbaar ministerie aanvoert over die (eventuele) stuiting, nader te beoordelen of de verjaring van het recht op strafvervolging is ingetreden.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 april 2024.