Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 april 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor opzetheling van een auto. Het hof had een verkorte uitspraak gedaan zonder de bewijsmiddelen te vermelden die ten grondslag lagen aan de bewezenverklaring. De raadsman van de verdachte verzocht om toezending van een aanvulling met de bewijsmiddelen, maar het hof gaf aan dat een dergelijke aanvulling niet was opgemaakt.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 359, leden 3 en 8 van het Wetboek van Strafvordering een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen moet bevatten die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Het ontbreken hiervan maakt het arrest niet in stand te houden. Daarnaast wees de Hoge Raad op de mogelijke verjaring van de strafvordering op grond van artikel 70 Sr Pro, maar aangezien hierover in cassatie niet was geklaagd, heeft de Hoge Raad dit niet inhoudelijk onderzocht.
De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof ook de verjaring zal moeten toetsen aan de hand van de eventuele stuiting door vervolgingshandelingen. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging en niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Het arrest is gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Van Strien en Kuijer, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 2 april 2024.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling, inclusief toetsing van verjaring.