Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
2 april 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte is veroordeeld voor opzettelijke belediging van de echtgenoot van de Koning. Het hof kwalificeerde het bewezenverklaarde feit onder het vervallen artikel 112 (oud) Sr en legde een gevangenisstraf van één dag en een taakstraf van veertig uren op.
De Hoge Raad onderzocht of het hof ten onrechte geen toepassing gaf aan artikel 1 lid 2 Sr Pro, dat bepaalt dat bij wetswijzigingen na het begaan van het feit de gunstigste strafbepalingen gelden. De Hoge Raad oordeelt dat het vervallen van artikel 112 (oud) Sr niet voortvloeit uit een verandering van inzicht over de strafwaardigheid, aangezien belediging van de Koning of diens echtgenoot nog steeds strafbaar is onder artikel 266 en Pro 267 Sr.
Verder constateert de Hoge Raad dat het hof niet expliciet het lagere strafmaximum van vier maanden gevangenisstraf toepaste, maar dat dit niet tot cassatie leidt omdat de opgelegde straf ruim onder dat maximum ligt. De Hoge Raad wijst ook op overschrijding van de redelijke termijn, maar ziet geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt straf van één dag gevangenisstraf en veertig uren taakstraf.