ECLI:NL:HR:2024:513

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
29 maart 2024
Zaaknummer
22/01054
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 317 lid 3 SrArt. 312 lid 2 sub 2 SrArt. 282 lid 1 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen poging tot afpersing en vrijheidsberoving

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot afpersing en medeplegen van het opzettelijk wederrechtelijk van vrijheid beroven en beroofd houden van iemand. De verdachte voerde in cassatie aan dat het oogmerk en/of opzet op medeplegen van geweld ontbrak vanwege onvoorziene discriminerende uitlatingen van de aangever.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering van het hof nader te toetsen omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, maar gezien de beperkte mate van overschrijding werd geen ander rechtsgevolg aan deze termijnoverschrijding verbonden.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het hof bevestigd, waarbij een gevangenisstraf van vijf jaren was opgelegd.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; gevangenisstraf van vijf jaren bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01054
Datum2 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 maart 2022, nummer 21-006666-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 april 2024.