ECLI:NL:HR:2024:514

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
29 maart 2024
Zaaknummer
23/02337
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.C OpiumwetArt. 457 lid 1.c SvArt. 471 lid 1 SvArt. 472 lid 2 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart aanvraag tot herziening gegrond wegens nieuw getuigenbewijs in hennepzaak

De Hoge Raad heeft op 9 april 2024 uitspraak gedaan in een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof Amsterdam uit 2020, waarin de aanvrager was veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 128 hennepplanten in een gehuurde woning. De aanvraag tot herziening betrof een nieuw gegeven, namelijk een getuigenverklaring van de partner van de aanvrager, die tijdens de oorspronkelijke strafzaak niet bekend was bij het hof.

De advocaat-generaal concludeerde dat het nieuwe gegeven een ernstig vermoeden wekt dat de aanvrager vrijgesproken zou zijn indien het hof destijds met deze verklaring bekend was geweest. De Hoge Raad volgde dit standpunt en verklaarde de aanvraag tot herziening gegrond. Tevens beval de Hoge Raad, voor zover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het oorspronkelijke arrest.

De zaak is vervolgens verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een hernieuwde berechting en afdoening. De Hoge Raad baseerde zijn oordeel op artikel 457 lid 1 onder Pro c van het Wetboek van Strafvordering, dat herziening mogelijk maakt bij nieuwe feiten of omstandigheden die tot vrijspraak of een minder zware straf kunnen leiden.

Het arrest is gewezen door vice-president V. van den Brink als voorzitter, met raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02337 H
Datum9 april 2024
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 september 2020, nummer 23-003596-18, ingediend door A.W.J. van Galen, advocaat in Amsterdam,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum ] 1979,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft de aanvrager veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.

2.De aanvraag tot herziening

2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat het ernstige vermoeden bestaat dat het hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken als het bekend was geweest met de verklaring die de partner van de aanvrager als getuige op de terechtzitting van het gerechtshof heeft afgelegd in de met deze strafzaak samenhangende ontnemingszaak.

3.De conclusie van de advocaat-generaal

3.1
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren en daarbij voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van 22 september 2020 van het gerechtshof Amsterdam in de strafzaak van de aanvrager zal bevelen, en de zaak op de voet van artikel 472, tweede lid, Sv in verbinding met artikel 471, eerste lid, Sv zal verwijzen naar een ander gerechtshof, opdat de zaak opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
3.2
De raadsman van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2
Op de door de advocaat-generaal in zijn conclusie vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is daarom gegrond.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
- beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op de voet van artikel 472 lid 2 Sv Pro opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 april 2024.