Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 april 2024.
Hoge Raad
Betrokkene verblijft sinds eind 2016 in een zorgaccommodatie op basis van een rechterlijke machtiging krachtens de Wet zorg en dwang (Wzd). De rechtbank Limburg stelde in 2017 een professionele mentor aan als wettelijk vertegenwoordiger voor betrokkene. In februari 2022 dienden de zoon en dochter namens betrokkene een verzoek tot ontslag uit de accommodatie in, maar de mentor stond hier niet achter en de zorginstelling behandelde het verzoek niet inhoudelijk.
De zoon en dochter dienden vervolgens een klacht in op grond van artikel 55 Wzd Pro wegens het uitblijven van een beslissing. De klachtencommissie verklaarde de klacht gegrond en beval de zorginstelling een beslissing te nemen. De zorginstelling verzocht de rechtbank de klachtencommissie-beslissing te vernietigen en de zoon niet-ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank vernietigde de beslissing van de klachtencommissie en verklaarde de zoon niet-ontvankelijk, omdat hij niet de wettelijk vertegenwoordiger was. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de mentor als wettelijk vertegenwoordiger exclusief bevoegd is om namens betrokkene een ontslagverzoek in te dienen. De zoon heeft geen belang bij behandeling van het middel omdat betrokkene niet wilsbekwaam is om anderen te machtigen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat alleen de wettelijk vertegenwoordiger bevoegd is tot het indienen van een ontslagverzoek en een daaropvolgende klacht onder de Wzd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de zoon niet ontvankelijk is in de klacht over het uitblijven van een beslissing op het ontslagverzoek onder de Wet zorg en dwang.