ECLI:NL:HR:2024:520

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
23/04380
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:8 WvggzArt. 5 EVRMArt. 6 EVRMArt. 81 lid 1 ROArt. 1 Wet beëdigde tolken en vertalers
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat bij voortzetting crisismaatregel geen professionele doventolk verplicht is bij gebrekkige beschikbaarheid

In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht om een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel ten aanzien van een dove betrokkene. De rechtbank Rotterdam verleende deze machtiging na een mondelinge behandeling waarbij geen professionele doventolk aanwezig was, omdat er geen beschikbaar was. De communicatie met betrokkene verliep via zijn zus en ex-schoonzus die met hem konden communiceren middels gebaren.

Betrokkene stelde in cassatie dat het ontbreken van een professionele tolk in strijd was met het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat alleen een beëdigde tolk de communicatie volledig en onafhankelijk kan waarborgen. De Hoge Raad overwoog dat artikel 1:8 lid 2 Wvggz Pro het recht op tolkbijstand waarborgt, maar dat in spoedeisende situaties en bij gebrekkige beschikbaarheid van tolken ook niet-beëdigde personen kunnen volstaan indien de communicatie adequaat is.

De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank voldoende heeft gedaan om hoor en wederhoor te waarborgen, onder meer door schriftelijke vragen en hulp van familieleden die met betrokkene konden communiceren. De klachten van betrokkene faalden daarom. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel rechtsgeldig bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de crisismaatregel voortgezet mag worden zonder professionele doventolk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer23/04380
Datum5 april 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/663482 / FA RK 23-5747 van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2023.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In deze procedure heeft de officier van justitie verzocht om een machtiging tot voortzetting van de op 6 augustus 2023 genomen crisismaatregel ten aanzien van betrokkene. De rechtbank heeft dit verzoek op 7 augustus 2023 ontvangen.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2023. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen betrokkene met zijn advocaat, een arts, een zus van betrokkene, de partner van betrokkene en een ex-schoonzus van betrokkene.
2.2
De rechtbank heeft een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend. [1] De rechtbank acht onder meer opneming van betrokkene in een accommodatie noodzakelijk.
2.3
Betrokkene is doof. Over de mondelinge behandeling heeft de rechtbank als volgt overwogen:
“De mondelinge behandeling zou plaatsvinden met de aanwezigheid van een doventolk. De rechtbank heeft vanaf maandag 7 augustus 2023 tot nog een uur voor de mondelinge behandeling getracht een doventolk te regelen, maar is hier uiteindelijk niet in geslaagd omdat er geen doventolken beschikbaar waren. Hoewel er geen doventolk aanwezig was en er hier door de advocaat van betrokkene tijdens de mondelinge behandeling bezwaar tegen is gemaakt, is de rechtbank van oordeel [dat] hoor en wederhoor, in de onderhavige omstandigheden, in voldoende mate is toegepast. Zo hebben tijdens de mondelinge behandeling de zus en de ex-schoonzus van betrokkene (die beiden hebben verklaard middels gebaren met betrokkene te kunnen communiceren) geholpen en heeft de rechtbank een aantal vragen op papier gezet waar betrokkene, met behulp van zijn zus en ex-schoonzus, antwoord op heeft gegeven. Betrokkene bleek in staat die vragen voldoende te begrijpen.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel I van het middel neemt tot uitgangspunt dat in een geval als dit, om een eerlijk proces te garanderen als bedoeld in art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM in verbinding met art. 6 lid 1 EVRM Pro, een professionele tolk aanwezig moet zijn zodat alle argumenten voldoende ongekleurd en onafhankelijk naar voren kunnen komen. Onvoldoende is daarom dat de rechtbank bij de mondelinge behandeling gebruik heeft gemaakt van de hulp van de zus en de ex-schoonzus van betrokkene om met betrokkene te communiceren, omdat zij geen professionele tolken zijn, aldus het onderdeel.
3.2
Bij de voorbereiding, de uitvoering, de wijziging en de beëindiging van verplichte zorg wordt een betrokkene in een voor hem begrijpelijke taal geïnformeerd (art. 1:8 lid 1 Wvggz Pro). Art. 1:8 lid 2 Wvggz Pro bepaalt dat een betrokkene, indien hij de Nederlandse taal niet beheerst, recht heeft op bijstand van een tolk voor zover de uitvoering van de verplichte zorg leidt tot vrijheidsbeneming. Deze bepalingen zijn ingevoerd naar aanleiding van onder andere art. 5 EVRM Pro. [2] Het recht op bijstand van een tolk omvat eveneens het recht op bijstand van een tolk Nederlandse Gebarentaal. [3]
Bij de toepassing van art. 1:8 lid 2 Wvggz Pro geldt als uitgangspunt dat een betrokkene wordt bijgestaan door een beëdigde tolk in de zin van art. 1, aanhef en onder c, Wet beëdigde tolken en vertalers. In voorkomende gevallen kan evenwel ook de bijstand van een persoon die geen beëdigde tolk is, voldoende zijn om in dit opzicht een procedure te garanderen waarin de eisen van de art. 5 en Pro 6 EVRM worden nageleefd. Anders dan onderdeel I tot uitgangspunt neemt, is dus niet onder alle omstandigheden de bijstand van een professionele tolk vereist om te voldoen aan art. 1:8 lid 2 Wvggz Pro en te waarborgen dat in dit opzicht wordt voldaan aan de eisen van de art. 5 en Pro 6 EVRM.
3.3
In dit geval is aan de orde de voortzetting van een crisismaatregel, waarbij spoed is geboden. Uit de bestreden beschikking volgt dat de rechtbank vanaf de dag van ontvangst van het verzoek tot nog een uur voor de mondelinge behandeling heeft geprobeerd een gebarentolk te regelen maar hierin niet is geslaagd omdat er geen gebarentolk beschikbaar was, dat de rechtbank een aantal vragen op papier heeft gezet waarop betrokkene met behulp van zijn zus en zijn ex-schoonzus heeft gereageerd, dat de zus en de ex-schoonzus – die beiden hebben verklaard door middel van gebaren met betrokkene te kunnen communiceren – betrokkene met de communicatie hebben geholpen, en dat betrokkene in staat bleek de vragen van de rechtbank voldoende te begrijpen.
Onder die omstandigheden geeft het geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk dat de rechtbank is afgeweken van het hiervoor in 3.2 weergegeven uitgangspunt bij de toepassing van art. 1:8 lid 2 Wvggz Pro en dat zij het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van betrokkene heeft behandeld zonder dat betrokkene werd bijgestaan door een beëdigde gebarentolk. De hiervoor in 3.1 genoemde klachten falen daarom.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
5 april 2024.

Voetnoten

1.Rechtbank Rotterdam 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10551.
2.Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 32-33.
3.Vgl. Kamerstukken II 2016/17, 34562, nr. 3, p. 6 en de art. 6 en Pro 7 Wet erkenning Nederlandse Gebarentaal.