Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 april 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht om een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel ten aanzien van een dove betrokkene. De rechtbank Rotterdam verleende deze machtiging na een mondelinge behandeling waarbij geen professionele doventolk aanwezig was, omdat er geen beschikbaar was. De communicatie met betrokkene verliep via zijn zus en ex-schoonzus die met hem konden communiceren middels gebaren.
Betrokkene stelde in cassatie dat het ontbreken van een professionele tolk in strijd was met het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat alleen een beëdigde tolk de communicatie volledig en onafhankelijk kan waarborgen. De Hoge Raad overwoog dat artikel 1:8 lid 2 Wvggz Pro het recht op tolkbijstand waarborgt, maar dat in spoedeisende situaties en bij gebrekkige beschikbaarheid van tolken ook niet-beëdigde personen kunnen volstaan indien de communicatie adequaat is.
De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank voldoende heeft gedaan om hoor en wederhoor te waarborgen, onder meer door schriftelijke vragen en hulp van familieleden die met betrokkene konden communiceren. De klachten van betrokkene faalden daarom. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel rechtsgeldig bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de crisismaatregel voortgezet mag worden zonder professionele doventolk.