Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
4.Beslissing
9 april 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een minderjarige verdachte die werd verdacht van medeplegen van poging tot zware mishandeling. In eerste aanleg werd hij vrijgesproken. Het hof oordeelde dat de verklaring van de verdachte, afgelegd zonder voorafgaande rechtsbijstand, toch gebruikt mocht worden omdat hij niet formeel was aangehouden maar uit anderen hoofde gedetineerd was.
De verdediging stelde dat dit een schending van het recht op rechtsbijstand opleverde, waardoor de verklaring uitgesloten moest worden. De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 489 Sv Pro ook voor minderjarige verdachten die uit anderen hoofde gedetineerd zijn een raadsman moet worden aangewezen, tenzij zij zelf een raadsman kiezen die tijdig beschikbaar is. Ook kan een dergelijke verdachte geen afstand doen van het recht op rechtsbijstand.
Het hof heeft dit onjuist beoordeeld door te oordelen dat deze regels niet van toepassing waren. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. De vraag of de wettelijke regeling volledig in overeenstemming is met de Europese richtlijn behoeft geen beantwoording in deze zaak.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onjuiste toepassing regels rechtsbijstand minderjarige verdachte en wijst zaak terug.