ECLI:NL:HR:2024:559

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
22/00960
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen ontnemingsvordering wegens medeplichtigheid hennepteelt

De betrokkene werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) ter waarde van €250, gerelateerd aan medeplichtigheid aan hennepteelt in de uitoefening van beroep of bedrijf. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had deze vordering toegewezen op basis van onder meer een getuigenverklaring.

De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij de Hoge Raad het beroep heeft beoordeeld. De klachten van de betrokkene konden echter niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad zag geen noodzaak om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, conform artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Deze termijnoverschrijding leidde echter niet tot een ander rechtsgevolg in deze ontnemingszaak. In de samenhangende strafzaak zal nog worden beoordeeld of compensatie moet worden toegekend.

De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarmee de ontnemingsvordering gehandhaafd blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering van €250 wegens medeplichtigheid aan hennepteelt.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00960 P
Datum9 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2022, nummer 21-000042-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft G.J.P.M. Grijmans, advocaat in Bolsward, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 22/00959 is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 april 2024.