Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
uitbetalingeerst per 1 juni 2000 aan de orde is gekomen. Het hof is met Vesteda (en anders dan de A-G (conclusie sub 2.18)) van oordeel dat dit dictum in het licht van de overwegingen van het arrest bezwaarlijk anders kan worden gelezen dan dat de betalingsverplichting is ingegaan in 2000, maar niet (ook) dat de aanspraak op een uitkering is ingegaan per 1 juni 2000. Dat sluit ook beter aan bij art. 4 WUP Pro waarop de aanspraak van uitkering van [eiser] is gegrond en welke bepaling door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is geciteerd in de overwegingen die aan het voormelde dictum voorafgaan. Ook de A-G onderschrijft de materiële juistheid van dit standpunt. De A-G heeft erop gewezen dat de uitleg van het dictum op de wijze van [eiser] wellicht niet volledig zou aansluiten bij de wettelijke bepalingen.
3.Beoordeling van het middel
een uitkering. De veronderstelling van de klachten dat het dictum niet anders kan worden gelezen dan als een veroordeling tot de naleving van de aanspraak die ingaat op 1 juni 2000, is dan ook onjuist. Daarop stuiten de klachten van onderdeel I af.
4.Beslissing
12 april 2024.