Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
16 april 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 16 april 2024 het cassatieberoep van klager verworpen tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 2 maart 2023. Het geschil betrof het beslag op geldbedragen onder klager in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en de vraag of het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat een latere strafrechter een ontnemingsmaatregel zou opleggen.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van klager onvoldoende waren om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de gestelde rechtsvragen, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier. Het beroep werd verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klager wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd.