ECLI:NL:HR:2024:610

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
16 april 2024
Zaaknummer
23/04447
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 227.1 SrArt. 225.1 SrArt. 416 SrArt. 457 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid herzieningsaanvraag wegens onvoldoende motivering bij valsheid in akte en medeplichtigheid

De aanvrager verzocht herziening van een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch uit 1990, waarin hij was veroordeeld voor het meermalen doen opnemen van een valse opgave in een authentieke akte, medeplichtigheid aan heling en medeplichtigheid aan valsheid in geschrift. De Hoge Raad beoordeelde de aanvraag aan de hand van de wettelijke eisen voor herziening, met name artikel 457 lid 1 onder Pro c en artikel 460 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad benadrukte dat een herzieningsaanvraag die steunt op een met stukken onderbouwd nieuw gegeven (novum) nauwkeurig moet omschrijven wat dit novum inhoudt, waarom dit tot een andere beslissing had kunnen leiden, en indien de bewijsvoering wordt betwist, waarom dit leidt tot ernstige twijfel aan de bewijsvoering en een vermoeden van vrijspraak. De aanvraag in deze zaak voldeed niet aan deze motiveringseisen.

Daarom kon de Hoge Raad de aanvraag niet in behandeling nemen en verklaarde deze niet-ontvankelijk. Dit arrest bevestigt de strikte eisen die aan herzieningsverzoeken worden gesteld om de rechtszekerheid te waarborgen en misbruik te voorkomen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04447 H
Datum16 april 2024
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 januari 1990, nummer 20-000093-88, ingediend door N. Heijkant, advocaat in Dongen,
namens
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de rechtbank Breda van 19 oktober 1987 – de aanvrager veroordeeld voor “in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit, van welks waarheid die akte moet doen blijken met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd”, “medeplichtigheid aan heling” en “medeplichtigheid aan valsheid in geschrift” tot een gevangenisstraf van een jaar.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
Volgens artikel 460 lid 2 Sv Pro moet de aanvraag de gronden vermelden waarop deze berust. De aanvraag moet dus naar behoren gemotiveerd zijn. Dat wordt bevestigd in de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 32). Alleen een herzieningsaanvraag die aan deze motiveringseis voldoet, kan in behandeling worden genomen. Een aanvraag die onvoldoende is gemotiveerd, is niet een aanvraag als in de wet bedoeld.
3.3
Dit betekent dat, als een aanvraag een beroep doet op een met stukken onderbouwd gegeven als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv,
(a) de aanvraag een nauwkeurige omschrijving moet bevatten van dit gegeven (hierna: het novum) en dat dus bijvoorbeeld niet kan worden volstaan met een verwijzing naar bijgevoegde stukken waaruit zo’n novum zou moeten blijken;
(b) de aanvraag de redenen moet vermelden waarom het novum tot één van de genoemde beslissingen zou hebben kunnen leiden;
(c) de aanvraag, als deze ertoe strekt de bewijsvoering aan te tasten, met voldoende precisie moet uiteenzetten (i) waarom een bepaald onderdeel van de bij de aanvraag gevoegde stukken leidt tot ernstige twijfel aan de juistheid van een nauwkeurig aangeduid gedeelte van de bewijsvoering, en (ii) waarom dat leidt tot het ernstige vermoeden dat het onderzoek van de zaak, als dat gegeven toen bekend was geweest, zou hebben geleid tot een vrijspraak.
Alleen als de aanvraag aan deze eisen voldoet, kan de Hoge Raad beoordelen of de aanvraag gegrond is.
3.4
Als de aanvraag – zoals in dit geval – aan die eisen niet voldoet, kan de Hoge Raad de aanvraag niet in behandeling nemen.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 april 2024.