Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
23 april 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 juli 2022. De zaak betrof het niet opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne, zoals bedoeld in artikel 2.C van de Opiumwet. De verdachte voerde onder meer klachten aan over de bewijskracht met betrekking tot het 'aanwezig hebben' van de drugs en de motivering van de straf, waarbij het hof een onvoorwaardelijke hechtenis van 40 dagen en een voorwaardelijke van 50 dagen oplegde.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep is derhalve verworpen. De uitspraak bevestigt het oordeel van het hof over de strafbaarheid en de strafmotivering, waarbij de opgelegde straf van 90 dagen hechtenis, waarvan 50 dagen voorwaardelijk, als voldoende gemotiveerd wordt beschouwd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd met een straf van 90 dagen hechtenis, waarvan 50 dagen voorwaardelijk.