ECLI:NL:HR:2024:617

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2024
Publicatiedatum
17 april 2024
Zaaknummer
22/02992
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 359.6 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over niet opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne

In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 juli 2022. De zaak betrof het niet opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne, zoals bedoeld in artikel 2.C van de Opiumwet. De verdachte voerde onder meer klachten aan over de bewijskracht met betrekking tot het 'aanwezig hebben' van de drugs en de motivering van de straf, waarbij het hof een onvoorwaardelijke hechtenis van 40 dagen en een voorwaardelijke van 50 dagen oplegde.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het cassatieberoep is derhalve verworpen. De uitspraak bevestigt het oordeel van het hof over de strafbaarheid en de strafmotivering, waarbij de opgelegde straf van 90 dagen hechtenis, waarvan 50 dagen voorwaardelijk, als voldoende gemotiveerd wordt beschouwd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd met een straf van 90 dagen hechtenis, waarvan 50 dagen voorwaardelijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02992
Datum23 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 juli 2022, nummer 22-000415-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 april 2024.