Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.Beslissing
19 april 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of de schadevergoedingsvorderingen van eiseres, gebaseerd op gederfde commissaris- en franchisevergoeding, toewijsbaar waren. Eiseres had zich beroepen op nakoming van een overeenkomst, maar dit beroep werd door het hof afgewezen omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar werd geacht.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 16 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2112), en bevestigt het oordeel van het hof zonder nadere motivering. De klachten van eiseres tegen het oordeel van het hof leiden niet tot vernietiging van de arresten.
Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van verweerster behoeft geen behandeling omdat het principale beroep is verworpen. De Hoge Raad veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten aan de zijde van verweerster.
Deze uitspraak bevestigt de strenge toetsing aan het beroep op nakoming van overeenkomsten in het kader van schadevergoeding en benadrukt het belang van redelijkheid en billijkheid bij dergelijke vorderingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.