Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
23 april 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandeling waarbij een 73-jarige man een klap kreeg waardoor hij ten val kwam en hoofdletsel opliep. De benadeelde partij vorderde immateriële schadevergoeding. Het gerechtshof Den Haag oordeelde dat de benadeelde partij immateriële schade had geleden en kende deze toe.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof over de immateriële schade toereikend gemotiveerd en zag geen aanleiding tot nadere motivering.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het beroep. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand. De uitspraak bevestigt de beoordelingsvrijheid van het hof bij het vaststellen van immateriële schade en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het toetsen van motiveringen in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.