Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:648

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
19 april 2024
Zaaknummer
22/02058
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 552a SvArt. 6:16 BWArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat beslag op en/of-rekening saldo niet kan worden opgeheven op grond van eigendom derde

In deze zaak ging het om een beklag tegen het beslag ex artikel 94a Sv op het saldo van een en/of-rekening waarvan klager en zijn zakenpartner mede-rekeninghouders zijn. Klager stelde dat hij als enige eigenaar van het saldo moest worden aangemerkt, omdat de strafzaak tegen hem was geseponeerd en het saldo voornamelijk uit zijn gelden bestond.

De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard, stellende dat bij een en/of-rekening iedere rekeninghouder jegens de bank recht heeft op het gehele saldo en dat het beslag daarom niet kan worden opgeheven op grond van eigendom van slechts één rekeninghouder. De Hoge Raad bevestigde deze maatstaf en herhaalde dat de rechter in een beklagprocedure moet toetsen of buiten redelijke twijfel vaststaat dat de derde eigenaar is, zonder in te gaan op burgerrechtelijke eigendomsverhoudingen.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en oordeelde dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk of onjuist was. Het beslag blijft derhalve gehandhaafd, ook al stelt klager eigenaar te zijn van het saldo. De zaak wordt hiermee definitief afgesloten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het beslag op het saldo van een en/of-rekening niet wordt opgeheven omdat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat klager als enige eigenaar kan worden aangemerkt.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02058 B
Datum21 mei 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 mei 2022, nummer RK 22/55, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing naar de rechtbank Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de ongegrondverklaring door de rechtbank van het klaagschrift tot opheffing van het beslag op het saldo van een bankrekening.
2.2.1
De rechtbank heeft het namens de klager ingediende klaagschrift dat strekt tot opheffing van het conservatoir beslag dat is gegrond op artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ongegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“Het standpunt van klager
Met betrekking tot het beslag heeft klager zich primair op het standpunt gesteld dat gelet op het feit dat de strafzaak tegen hem is geseponeerd en het aanvangssaldo op de rekening op het moment dat belanghebbende als (mede)rekeninghouder van de rekening is bijgeschreven, de onderliggende redenen voor bijschrijvingen als rekeninghouder van belanghebbende op 20 maart 2018 en de mutaties tot aan de beslaglegging waarbij slechts een afname van het saldo heeft plaatsgevonden, buiten redelijke twijfel vaststaat dat klager als eigenaar van het saldo op de rekening moet worden aangemerkt en dat het beklag gegrond moet worden verklaard. Subsidiair heeft klager verzocht om klager als eigenaar van de helft op het saldo op de rekening aan te merken en het beslag voor de helft, te weten een bedrag van € 42.371,81, op te heffen.
(...)
Het oordeel van de rechtbank
(...)
Inhoudelijke beoordeling
Het gaat in de onderhavige procedure om een beslag in de zin van artikel 94a Sv. In het geval het klaagschrift is ingediend door een derde – een ander dan degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht – die stelt eigenaar te zijn, dient de rechter te onderzoeken of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt. Indien klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken of zich de situatie van artikel 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet (vgl. ECLI:NL:HR:2013:CA3320).
De rechtbank is van oordeel dat ingeval van een en/of-rekening het vorderingsrecht van iedere rekeninghouder betrekking heeft op het totale saldo. Het beslag op de vorderingen van de beslagdebiteur jegens de bank heeft derhalve betrekking op dat totaal. De interne verhouding en de gemaakte afspraken tussen beslagdebiteur en zijn mederekeninghouder gaat de beslaglegger niet aan. Daarbij is ook niet beslissend of dit saldo mede is ontstaan uit door de andere rechthebbende gestorte gelden of dat er slechts een afname van het saldo heeft plaatsgevonden (ECLI:NL:RBDHA:2017:2372). Het betoog van de advocaat dat klager als ‘enige’ eigenaar van het saldo op de bankrekening moet worden aangemerkt, kan gelet op de aard van een en/of-rekening dan ook niet slagen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het beslag voor de helft van het saldo op de bankrekening op te heffen.
De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.”
2.2.2
Het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer houdt onder meer in:
“De rechter houdt voor dat uit de stukken blijkt dat klager en de beslagene [betrokkene 1] beide rekeninghouder zijn en vraagt of zij het nu goed begrijpt dat klager nu eigenlijk stelt dat hij enige rekeninghouder is en dat alle transacties na 21 maart 2018 ten behoeve van klager zijn gedaan.
De advocaat van de klager voert het woord, verkort en zakelijk weergegeven:
Beslagene [betrokkene 1] is als (mede)rekeninghouder bijgestapt op de bankrekening, omdat zij samen zaken zouden doen in onroerend goed. Toen [betrokkene 1] hierin stapte was besloten dat het bedrag op de bankrekening werkkapitaal zou zijn, maar dit betekent niet dat het geld en de bankrekening gaan toebehoren aan [betrokkene 1]. Dit geld wordt dan van de onderneming. De bankrekening stond niet op naam van de onderneming, maar tussen de heren is de afspraak gemaakt dat één kapitaal gebruikt zou worden voor de onderneming.”
2.3
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval waarin op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering beslag is gelegd en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk moet geven (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rechtsoverweging 2.15). Bij de beantwoording van deze vraag zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal hij daarbij civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel over de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp (vgl. met betrekking tot een beslag op grond van artikel 94 Sv Pro, HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rechtsoverweging 2.13).
2.4
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
- artikel 94a Sv:
“1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
4. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, of degene aan wie, in het in het derde lid bedoelde geval, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.
5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen.
6. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”
- artikel 6:16 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):
“Wanneer met de schuldenaar is overeengekomen dat twee of meer personen als schuldeiser de prestatie van hem voor het geheel kunnen vorderen, des dat de voldoening aan de een hem ook jegens de anderen bevrijdt, doch in de onderlinge verhouding van die personen de prestatie niet aan hen allen gezamenlijk toekomt, zijn op hun rechtsverhouding jegens de schuldenaar de in geval van gemeenschap geldende regels van overeenkomstige toepassing.”
2.5.1
De rechtbank heeft overwogen dat “het betoog van de advocaat dat de klager als ‘enige’ eigenaar van het saldo op de op naam van de klager en/of [betrokkene 1] gestelde bankrekening moet worden aangemerkt”, niet kan slagen, “gelet op de aard van een en/of-rekening”. Het daarin besloten liggende oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is dat de klager als enige rechthebbende op dat banksaldo kan worden aangemerkt, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat op grond van artikel 6:16 BW Pro ieder van de mede-rekeninghouders van een gezamenlijke bankrekening als schuldeiser jegens de bank recht heeft op het gehele saldo van die rekening.
2.5.2
Het cassatiemiddel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 mei 2024.