ECLI:NL:HR:2024:659

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2024
Publicatiedatum
24 april 2024
Zaaknummer
22/03202
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 SrArt. 248 lid 2 SrArt. 245 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zedenzaak ontucht met dochter

De zaak betreft een zedenzaak waarin verdachte werd veroordeeld voor ontucht met zijn dochter, gepleegd zowel voor als na haar twaalfde verjaardag. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld op basis van verklaringen van het slachtoffer en aanvullend bewijs, waarbij het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv Pro (unus testis) aan de orde was.

Verdachte stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was en dat de verklaringen van het slachtoffer niet voldoende werden ondersteund door ander bewijs. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.

De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk in te gaan op de vragen, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand bleef.

Het arrest werd gewezen door de vice-president M.J. Borgers en raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans op 18 juni 2024.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor ontucht met de dochter.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03202
Datum18 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 augustus 2022, nummer 20-002984-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 juni 2024.