Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 juni 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een zedenzaak waarin verdachte werd veroordeeld voor ontucht met zijn dochter, gepleegd zowel voor als na haar twaalfde verjaardag. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld op basis van verklaringen van het slachtoffer en aanvullend bewijs, waarbij het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv Pro (unus testis) aan de orde was.
Verdachte stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was en dat de verklaringen van het slachtoffer niet voldoende werden ondersteund door ander bewijs. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk in te gaan op de vragen, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand bleef.
Het arrest werd gewezen door de vice-president M.J. Borgers en raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans op 18 juni 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor ontucht met de dochter.