ECLI:NL:HR:2024:664

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2024
Publicatiedatum
24 april 2024
Zaaknummer
22/00837
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 417bis.1.a SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens schuldheling smartphones en overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een verdachte die 16 smartphones, afkomstig van een gewapende overval, heeft gekocht en doorverkocht zonder factuur of kwitantie, terwijl het algemeen bekend is dat mobiele telefoons vaak voorwerpen van misdrijf zijn. De verdachte wilde een telefoonwinkel opstarten. De kernvraag was of verdachte tekortgeschoten is in zijn onderzoeksplicht naar de herkomst van de telefoons en daarmee aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft betracht, wat vereist is voor schuldheling.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de verdachte eerder veroordeeld. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar vond deze niet ontvankelijk voor vernietiging van het arrest. De Hoge Raad hoefde geen motivering te geven vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar uitspraak deed. Gezien de opgelegde taakstraf van zeventig uur achtte de Hoge Raad dit overschrijding zonder aanleiding tot andere rechtsgevolgen.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor schuldheling wordt bevestigd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/00837
Datum28 mei 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 maart 2022, nummer 20-001073-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zeventig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 mei 2024.