Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
28 mei 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een 25-jarige student die werd veroordeeld voor het opzettelijk helen van 66 smartphones, afkomstig van een gewapende overval. De telefoons werden zonder bon en contant verkocht, terwijl verdachte geen verklaring gaf over de wijze van verkrijging en financiering.
In cassatie werd aangevoerd dat het hof ten onrechte bewijs had gebruikt van arresten tegen medeverdachten en dat stukken niet op de terechtzitting waren voorgelezen, wat strijdig zou zijn met artikel 301 lid 4 Sv Pro. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit cassatiemiddel niet tot vernietiging leidt.
Daarnaast werd geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde. De Hoge Raad erkende deze overschrijding, maar verbond hieraan geen verder rechtsgevolg gezien de korte duur van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 maart 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor opzetheling en constateert overschrijding van de redelijke termijn zonder gevolgen voor de straf.