Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
23 januari 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit bedrijfsmatige verkoop van hennep. De betrokkene stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het beschikbare contante inkomen uit caféactiviteiten lager was vastgesteld dan door hem betwist.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar alleen ten aanzien van de betalingsverplichting, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad beoordeelde de klachten en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hof konden leiden, zodat geen nadere motivering noodzakelijk was.
Vanwege het feit dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van €279.490 naar €274.490. De Hoge Raad vernietigde het hofuitspraak uitsluitend voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betrof en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: Betalingsverplichting tot ontneming wordt verminderd tot €274.490 wegens overschrijding redelijke termijn.