Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
6.De slotsom
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
3 mei 2024.
Hoge Raad
In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen eiser en Dennestaete over de vraag of eiser een schuld aan betrokkene 1 had ter zake van vier leningsovereenkomsten. Betrokkene 1 was failliet verklaard en Dennestaete had executoriaal beslag gelegd op vorderingen van betrokkene 1 op eiser. De rechtbank had een deel van het bedrag aan eiser toegerekend, maar het resterende bedrag aan Dennestaete toegewezen. Het hof vernietigde het vonnis en veroordeelde eiser tot betaling van het volledige bedrag van €266.660 aan Dennestaete.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep van eiser af. Het hof had geoordeeld dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de betalingen aan betrokkene 1 en derden ten behoeve van betrokkene 1 als lening moesten worden aangemerkt in plaats van als gift. Het hof baseerde zich op het ontbreken van bewijs dat betrokkene 1 een schuld aan eiser had opgebouwd en op het patroon van financiële steun van eiser aan betrokkene 1 zonder terugbetalingsplicht.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat het oordeel op waarderingen van feitelijke aard berust die niet zonder meer kunnen worden herzien in cassatie. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld tot betaling van €266.660 aan Dennestaete.