ECLI:NL:HR:2024:716

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2024
Publicatiedatum
16 mei 2024
Zaaknummer
23/00851
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in effectenleasezaak wegens ontbreken vergunning tussenpersoon

In deze zaak stond centraal of Dexia Nederland aansprakelijk kon worden gehouden voor een effectenleaseovereenkomst die via een tussenpersoon was gesloten, die niet beschikte over de vereiste vergunning voor beleggingsadvies. De tussenpersoon had mogelijk beleggingsadvies gegeven, maar dit was betwist en de stelplicht en betwistingsplicht waren van belang.

De feiten en eerdere uitspraken van de rechtbank Limburg en het gerechtshof 's-Hertogenbosch werden door de Hoge Raad betrokken, maar het cassatieberoep van Dexia werd verworpen. De Hoge Raad vond dat de klachten tegen het arrest van het hof niet tot vernietiging konden leiden en hoefde geen inhoudelijke motivering te geven omdat het niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad veroordeelde Dexia tot betaling van de kosten van het cassatiegeding. Hiermee bevestigde de Hoge Raad de eerdere beslissingen en liet de aansprakelijkheid van Dexia in deze kwestie ongewijzigd. De uitspraak benadrukt het belang van vergunningen voor beleggingsadvies en de stelplicht van partijen in civiele procedures.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van Dexia en bevestigt de aansprakelijkheid in de effectenleasezaak.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer23/00851
Datum17 mei 2024
ARREST
In de zaak van
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
hierna: Dexia,
advocaten: J.W.M.K. Meijer en F.J.L. Kaptein,
tegen
[de afnemer],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [de afnemer],
advocaat: A.C. van Schaick.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 7213111 \ CV EXPL 18-6293 van de rechtbank Limburg van 28 augustus 2019 en 6 mei 2020;
b. het arrest in de zaak 200.283.799/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 december 2022.
Dexia heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[de afnemer] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van Dexia hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de afnemer] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Dexia deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
17 mei 2024.