ECLI:NL:HR:2024:739

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
21 mei 2024
Zaaknummer
23/00065
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 SrArt. 248 lid 2 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zedenzaak ontucht met minderjarig stiefkind

In deze zaak stond de verdachte terecht voor ontucht met zijn minderjarige stiefkinderen, respectievelijk 13 en 15 jaar oud, zoals omschreven in artikel 245 juncto Pro 248 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had verdachte veroordeeld, waarbij onder meer de bewijsvoering aan de orde was, met bijzondere aandacht voor het bewijsminimum en de eis van steun in ander bewijsmateriaal bij een unu testis situatie (artikel 342 lid 2 Sv Pro).

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft dit beroep inhoudelijk beoordeeld, met name de klachten over de bewijsvoering en rechtstoepassing. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij was het niet nodig om nadere motivering te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Uiteindelijk wees de Hoge Raad het cassatieberoep af en bevestigde daarmee het oordeel van het gerechtshof. Het arrest werd uitgesproken in een openbare terechtzitting op 21 mei 2024 door de vice-president Borgers en raadsheren Kooijmans en Posthumus.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte wegens ontucht met minderjarige stiefkinderen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00065
Datum21 mei 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 januari 2023, nummer 21-002206-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 mei 2024.