Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
18 juni 2024.
Hoge Raad
De verdachte, penningmeester en medebestuurder van een stichting die culturele activiteiten in Rotterdam Noord organiseerde, heeft gedurende bijna drie jaar ruim €63.000,- van de bankrekening van de stichting verduisterd. Zij gebruikte vervalste facturen en bankafschriften om deze handelingen te verbergen. Pas bij de opheffing van de stichting in 2014 kwamen de misstanden aan het licht.
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en ontzetting uit het recht om het beroep van bestuurder, zowel onmiddellijk als middellijk, van een stichting uit te oefenen voor vijf jaar. De Hoge Raad bevestigt deze ontzetting en oordeelt dat het hof de straf voldoende duidelijk heeft geformuleerd. De ontzetting strekt zich uit tot het recht om bestuurder te zijn van de stichting zelf en van rechtspersonen die als bestuurder van de stichting optreden.
De Hoge Raad benadrukt dat de ontzetting uit het recht bepaalde beroepen uit te oefenen ook kan gelden voor het uitoefenen van het beroep als bestuurder van een rechtspersoon die weer bestuurder is van een andere rechtspersoon, conform artikel 2:11 BW Pro. De overschrijding van de redelijke termijn wordt erkend, maar leidt niet tot een ander rechtsgevolg gezien de aard van de opgelegde straf.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, en ontzetting uit het recht als bestuurder van een stichting voor vijf jaar.