ECLI:NL:HR:2024:785

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2024
Publicatiedatum
30 mei 2024
Zaaknummer
23/02677
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in bestuurdersaansprakelijkheid wegens onbetaalde koopprijs eieren

In deze zaak stond de vraag centraal of een bestuurder aansprakelijk kon worden gehouden voor het afnemen van eieren terwijl hij wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap de koopprijs niet kon voldoen en geen verhaal zou bieden. Het geschil betrof een duurovereenkomst waarbij de bestuurder werd aangesproken op grond van bestuurdersaansprakelijkheid.

De procedure begon bij de rechtbank Gelderland met vonnissen in 2020 en 2021, gevolgd door arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in 2022 en 2023. De eiser stelde cassatieberoep in tegen het laatste arrest, maar de Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om het arrest te vernietigen.

De Hoge Raad besloot het beroep te verwerpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Het arrest bevestigt de maatstaf en het peilmoment voor bestuurdersaansprakelijkheid in het kader van duurovereenkomsten en benadrukt de verantwoordelijkheid van bestuurders bij het afnemen van goederen zonder betaling.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer23/02677
Datum31 mei 2024
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
advocaat: M.B.A. Alkema.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/05/366875 / HA ZA 20-158 / 115 / 560 van de rechtbank Gelderland van 22 juli 2020 en 24 februari 2021;
b. de arresten in de zaak 200.299.604 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 mei 2022 en 11 april 2023.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 11 april 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerster] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 2.845,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.H. Sieburgh en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
31 mei 2024.