ECLI:NL:HR:2024:913

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2024
Publicatiedatum
20 juni 2024
Zaaknummer
22/02325
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep ongegrond in belastingzaak over aanslagen 2014 en 2016

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 mei 2022, waarin hoger beroep was behandeld over aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2014 en 2016.

De zaak betrof een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag 2014 en de aanslag 2016 met de daarbij behorende beschikking inzake belastingrente. Zowel de Staatssecretaris van Financiën als de Minister van Justitie en Veiligheid dienden verweerschriften in, waarna belanghebbende een conclusie van repliek indiende.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad motiveerde dit oordeel niet omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door raadsheren Faase, Cools en Peters op 21 juni 2024.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende is ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02325
Datum21 juni 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 mei 2022, nrs. 21/00383 en 21/00384 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 20/63 en AWB 20/1689) betreffende de beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, en betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J. Sierts, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2024.