Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
25 juni 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor seksueel misbruik van zijn 3-jarige kleindochter en zijn pleegdochter van 9 en 11 jaar, zoals omschreven in artikel 244 Sr Pro. Het gerechtshof Amsterdam had verdachte eerder veroordeeld op basis van verklaringen van de aangeefsters en aanvullend bewijs, waarbij het bewijsminimum en de regels omtrent het getuigenbewijs (art. 342 lid 2 Sv Pro) centraal stonden.
Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, aangevoerd door zijn raadsman. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte onderzocht maar oordeelde dat deze onvoldoende waren om het arrest van het hof te vernietigen.
De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel van het hof te geven, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Het cassatieberoep werd dan ook verworpen, waarmee de veroordeling van verdachte definitief bleef staan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte wegens seksueel misbruik.