ECLI:NL:HR:2024:936

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
24 juni 2024
Zaaknummer
22/04669
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 244 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak seksueel misbruik pleegkinderen

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor seksueel misbruik van zijn 3-jarige kleindochter en zijn pleegdochter van 9 en 11 jaar, zoals omschreven in artikel 244 Sr Pro. Het gerechtshof Amsterdam had verdachte eerder veroordeeld op basis van verklaringen van de aangeefsters en aanvullend bewijs, waarbij het bewijsminimum en de regels omtrent het getuigenbewijs (art. 342 lid 2 Sv Pro) centraal stonden.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, aangevoerd door zijn raadsman. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte onderzocht maar oordeelde dat deze onvoldoende waren om het arrest van het hof te vernietigen.

De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel van het hof te geven, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Het cassatieberoep werd dan ook verworpen, waarmee de veroordeling van verdachte definitief bleef staan.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte wegens seksueel misbruik.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04669
Datum25 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2022, nummer 23-004642-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 juni 2024.