Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
25 juni 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een verkeersongeval waarbij de verdachte op een tweebaansweg met een maximumsnelheid van 100 km/u over een dubbele doorgetrokken streep naar links uitweek en op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terechtkwam, waar hij botste met een tegenligger. Het hof Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld op grond van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 wegens schuld aan het veroorzaken van lichamelijk letsel.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het bewijs innerlijk tegenstrijdig was en voerde verweer tegen het deskundigenonderzoek, met een alternatief scenario. Ook werd aangevoerd dat in hoger beroep een pleitnota ontbrak. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was deze uitvoerig te motiveren.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het beroep. Gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van zestig uur achtte de Hoge Raad dat dit geen aanleiding gaf tot andere rechtsgevolgen.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 maart 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor schuld aan lichamelijk letsel in het verkeer en wijst het cassatieberoep af.