ECLI:NL:HR:2024:996

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
28 juni 2024
Zaaknummer
22/02676
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141.1 SrArt. 141.2 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij openlijke geweldpleging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake openlijke geweldpleging na een ruzie in een uitgaansgelegenheid. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 227 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 150 uren.

De Hoge Raad beoordeelde twee cassatiemiddelen. Het eerste middel werd verworpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn door het late toezenden van stukken door het hof.

De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot de opgelegde gevangenisstraf te verminderen naar 225 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voor het overige werd het beroep verworpen. De strafmotivering van het hof, waarin ook een strafverzwarende omstandigheid werd meegewogen, werd niet vernietigd.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 225 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02676
Datum9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 juli 2022, nummer 22-003271-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 227 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 225 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juli 2024.