Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
2 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een economische strafzaak tegen een rechtspersoon die handelde in industriële chemicaliën en niet voldeed aan de meldplicht zoals opgenomen in artikel 8 lid 1 van Pro Verordening (EG) nr. 273/2004. Het hof had vastgesteld dat verdachte in 2016 meerdere transacties uitvoerde waarbij grote hoeveelheden zoutzuur en zwavelzuur werden geleverd aan een afnemer die deze stoffen mogelijk gebruikte voor de illegale vervaardiging van synthetische drugs.
Het hof concludeerde dat sprake was van een of meer voorvallen die erop konden wijzen dat de stoffen mogelijk werden misbruikt en dat verdachte had moeten melden. Dit oordeel baseerde het hof op het feit dat twee leveringen op een afwijkend afleveradres plaatsvonden, waarbij één levering onbeheerd werd achtergelaten, en dat een deel van de geleverde stoffen later werd aangetroffen in een drugslaboratorium.
De Hoge Raad bevestigde dat de meldplicht geldt voor alle voorvallen die kunnen wijzen op misbruik, ook als er geen opzet is. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was. Wel werd erkend dat de redelijke termijn was overschreden, maar gezien de geheel voorwaardelijke geldboete van € 1.000 werd hieraan geen rechtsgevolg verbonden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor het niet melden van verdachte transacties met geregistreerde stoffen.