Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1024

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
24/02577
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 2 RWNArt. 4 lid 4 RWNArt. 4 lid 6 RWNArt. 10:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling Nederlanderschap minderjarige na erkenning met DNA-bewijs

De zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van een minderjarige geboren in Costa Rica, erkend door een Nederlander die biologisch vaderschap met DNA-onderzoek aantoont. De rechtbank Den Haag had het verzoek toegewezen en geoordeeld dat het DNA-bewijs voldeed aan de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).

De Hoge Raad stelt vast dat het DNA-bewijs weliswaar aan art. 4 lid 4 RWN Pro voldeed, maar dat de rechtbank niet ambtshalve heeft onderzocht of het bewijs ook voldeed aan de nadere regels uit art. 4 lid 6 RWN Pro en het Besluit DNA-onderzoek vaderschap. Deze regels stellen eisen aan de herkenbaarheid, ondertekening en accreditatie van het laboratorium dat het DNA-onderzoek uitvoert.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van 9 april 2024 en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing. Hiermee wordt benadrukt dat de rechter een actieve toetsingsplicht heeft ten aanzien van de kwaliteit en rechtsgeldigheid van DNA-bewijs in nationaliteitszaken.

De uitspraak onderstreept het belang van nauwkeurige bewijsvoering bij het vaststellen van het Nederlanderschap op basis van erkenning en biologisch ouderschap, en bevestigt dat de rechter de wettelijke bewijsregels strikt moet toepassen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug vanwege onvoldoende toetsing van het DNA-bewijs aan wettelijke eisen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/02577
Datum27 juni 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te Den Haag,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: S.M. Kingma,
tegen
[de man] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [de minderjarige],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [de man],
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar
de beschikking in de zaak C/09/632028 / HA RK 22-276 van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024.
De Staat heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
[de man] heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]) is in 2008 in Costa Rica geboren. Zij heeft de Costa Ricaanse nationaliteit.
(ii) [de man] heeft aan de rechtbank in San José, Costa Rica, een verzoek gedaan om rechterlijke machtiging tot erkenning van [de minderjarige].
(iii) Tijdens de gerechtelijke procedure is door DNA-onderzoek vastgesteld dat het voor 99,999% zeker is dat [de man] de biologische vader is van [de minderjarige].
(iv) Bij uitspraak van 10 februari 2016 heeft de rechtbank in Costa Rica op basis van het DNA-bewijs machtiging verleend aan [de man] tot erkenning van [de minderjarige] en heeft de rechtbank de erkenning als verricht beschouwd.
(v) [de man] is vervolgens op de Costa Ricaanse geboorteakte van [de minderjarige] geregistreerd als vader van [de minderjarige].
(vi) In 2018 is [de man] gehuwd met de moeder van [de minderjarige].
(vii) Bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 april 2023 is aan [de minderjarige] een verblijfsvergunning verleend.
(viii) [de minderjarige] verblijft nu in Nederland.
(ix) [de man] heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2
[de man] verzoekt in dit geding om vaststelling van het Nederlanderschap van [de minderjarige].
2.3
De rechtbank [1] heeft het verzoek toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.
De Costa Ricaanse erkenning door [de man] van [de minderjarige] is op 10 februari 2016, de datum van de uitspraak van de Costa Ricaanse rechtbank, rechtsgeldig geworden en kan op grond van art. 10:101 BW Pro worden erkend.
Vervolgens is de vraag of [de minderjarige] als gevolg van de erkenning door [de man] de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Met het DNA-onderzoek dat op last van de rechtbank in Costa Rica tijdens de gerechtelijke procedure is gedaan naar de biologische afstamming van [de minderjarige], is voldaan aan het vereiste van art. 4 lid 4 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (hierna: RWN) dat het biologisch ouderschap bij of binnen een jaar na de erkenning wordt aangetoond. Dit leidt tot de conclusie dat [de minderjarige] op 10 februari 2016 het Nederlanderschap heeft verkregen.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat krachtens art. 4 lid 6 RWN Pro in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap nadere regels zijn gesteld voor het in art. 4 lid 4 RWN Pro bedoelde bewijs, en dat de rechtbank daaraan (ook ambtshalve) had moeten toetsen. Als de rechtbank dit niet heeft miskend maar van oordeel was dat het DNA-bewijs wel aan deze nadere regels voldeed, heeft zij dat oordeel niet gemotiveerd, aldus het middel.
3.2
Een minderjarige vreemdeling van zeven jaar of ouder verkrijgt het Nederlanderschap door erkenning door een Nederlander die zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont (art. 4 lid 4 RWN Pro in verbinding met art. 4 lid 2 RWN Pro). Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in art. 4 lid 4 RWN Pro bedoelde bewijs (art. 4 lid 6 RWN Pro).
3.3
Nadere regels als hiervoor in 3.2 bedoeld, zijn gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (hierna: het Besluit). Art. 1 lid 1 van Pro het Besluit houdt in dat het in art. 4 lid 4 RWN Pro bedoelde bewijs wordt aangetoond door DNA-onderzoek. Art. 1 lid 3 van Pro het Besluit houdt in dat het DNA-bewijs wordt geleverd door middel van een als zodanig herkenbaar en ondertekend rapport van een laboratorium als bedoeld in art. 1 lid 6 van Pro het Besluit. Art. 1 lid 6 van Pro het Besluit bepaalt dat het DNA-onderzoek wordt verricht in een laboratorium dat is geaccrediteerd, kort gezegd, door de Raad van Accreditatie of, indien het laboratorium in het buitenland is gevestigd, door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie of een bevoegde autoriteit. Uit de nota van toelichting bij het Besluit volgt dat het DNA-bewijs in alle gevallen op voornoemde wijze moet worden geleverd. [2]
3.4
De rechter dient, zo nodig ambtshalve, te onderzoeken of het DNA-bewijs voldoet aan de vereisten die volgen uit art. 4 lid 4 en Pro lid 6 RWN. [3]
3.5
De rechtbank heeft geoordeeld dat met het DNA-onderzoek dat in opdracht van de rechtbank in Costa Rica is uitgevoerd, voldaan is aan art. 4 lid 4 RWN Pro. De rechtbank heeft echter niet kenbaar onderzocht of het DNA-onderzoek voldeed aan de uit art. 4 lid 6 RWN Pro in verbinding met het Besluit voortvloeiende eis dat het biologisch ouderschap is aangetoond door middel van een als zodanig herkenbaar en ondertekend rapport van een conform het Besluit geaccrediteerd laboratorium. Het middel slaagt derhalve.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024;
- wijst de zaak terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
27 juni 2025.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag 9 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4985.
2.Stb. 2008, 417, p. 4.
3.Vgl. HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1858, rov. 3.1.2.