Uitspraak
1.Procesverloop
de beschikking in de zaak C/09/632028 / HA RK 22-276 van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024.
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
27 juni 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van een minderjarige geboren in Costa Rica, erkend door een Nederlander die biologisch vaderschap met DNA-onderzoek aantoont. De rechtbank Den Haag had het verzoek toegewezen en geoordeeld dat het DNA-bewijs voldeed aan de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De Hoge Raad stelt vast dat het DNA-bewijs weliswaar aan art. 4 lid 4 RWN Pro voldeed, maar dat de rechtbank niet ambtshalve heeft onderzocht of het bewijs ook voldeed aan de nadere regels uit art. 4 lid 6 RWN Pro en het Besluit DNA-onderzoek vaderschap. Deze regels stellen eisen aan de herkenbaarheid, ondertekening en accreditatie van het laboratorium dat het DNA-onderzoek uitvoert.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van 9 april 2024 en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing. Hiermee wordt benadrukt dat de rechter een actieve toetsingsplicht heeft ten aanzien van de kwaliteit en rechtsgeldigheid van DNA-bewijs in nationaliteitszaken.
De uitspraak onderstreept het belang van nauwkeurige bewijsvoering bij het vaststellen van het Nederlanderschap op basis van erkenning en biologisch ouderschap, en bevestigt dat de rechter de wettelijke bewijsregels strikt moet toepassen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug vanwege onvoldoende toetsing van het DNA-bewijs aan wettelijke eisen.