ECLI:NL:HR:2025:103

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
19 januari 2025
Zaaknummer
23/02048
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140a SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in zaak deelneming terroristische organisatie

In deze zaak stond de verdachte terecht voor deelneming aan een terroristische organisatie, zoals bedoeld in artikel 140a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld, waarbij het hof onder meer bewijs aannam dat de verdachte de ideologie van de organisatie doceerde en activiteiten verrichtte met een specifiek salafistisch/jihadistisch karakter.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad beoordeelde de klachten, waaronder een bewijsklacht over de deskundigenverklaring waarop het hof zich had gebaseerd. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.

Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de cassatie-uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond, terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden naar zes jaar en drie maanden.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur, verminderde de straf en verwierp het beroep voor het overige.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zes jaar en drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02048
Datum21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2023, nummer 22-001579-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren en zes maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en drie maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2025.