Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
21 januari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor deelneming aan een terroristische organisatie, zoals bedoeld in artikel 140a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld, waarbij het hof onder meer bewijs aannam dat de verdachte de ideologie van de organisatie doceerde en activiteiten verrichtte met een specifiek salafistisch/jihadistisch karakter.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad beoordeelde de klachten, waaronder een bewijsklacht over de deskundigenverklaring waarop het hof zich had gebaseerd. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde deze niet nader te motiveren.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de cassatie-uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond, terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden naar zes jaar en drie maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur, verminderde de straf en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zes jaar en drie maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.