ECLI:NL:HR:2025:1045

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
27 juni 2025
Zaaknummer
23/00796
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 359.2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens verblijf ondanks inreisverbod

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens het verblijven in Nederland terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd, in strijd met artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde in cassatie dat het inreisverbod niet op een wettelijk voorschrift berustte en dat hij geen ernstige bedreiging vormde voor de samenleving, waardoor hij vrijgesproken zou moeten worden.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk omdat dit niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar acht dit niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde straf van twee maanden gevangenisstraf.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot twee maanden gevangenisstraf wegens verblijf ondanks inreisverbod.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00796
Datum8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 februari 2023, nummer 22-001180-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. van Beest bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 juli 2025.