Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
8 juli 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens het verblijven in Nederland terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd, in strijd met artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde in cassatie dat het inreisverbod niet op een wettelijk voorschrift berustte en dat hij geen ernstige bedreiging vormde voor de samenleving, waardoor hij vrijgesproken zou moeten worden.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk omdat dit niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, maar acht dit niet aanleiding voor een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde straf van twee maanden gevangenisstraf.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot twee maanden gevangenisstraf wegens verblijf ondanks inreisverbod.