Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
1 juli 2025.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 1 juli 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 april 2023. De zaak betrof een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene, waarbij het hof een bedrag van €110.801 oplegde.
De betrokkene stelde cassatiemiddelen in, waarvan het eerste middel niet tot vernietiging leidde. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.
De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden, wat een vermindering van de opgelegde betalingsverplichting rechtvaardigde. De uitspraak van het hof werd daarom vernietigd voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en het bedrag werd verminderd tot €105.801. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot €105.801 wegens overschrijding van de redelijke termijn.