ECLI:NL:HR:2025:1047

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
29 juni 2025
Zaaknummer
23/01845
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e.3 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens termijnoverschrijding

De Hoge Raad heeft op 1 juli 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 april 2023. De zaak betrof een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene, waarbij het hof een bedrag van €110.801 oplegde.

De betrokkene stelde cassatiemiddelen in, waarvan het eerste middel niet tot vernietiging leidde. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.

De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden, wat een vermindering van de opgelegde betalingsverplichting rechtvaardigde. De uitspraak van het hof werd daarom vernietigd voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en het bedrag werd verminderd tot €105.801. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot €105.801 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01845 P
Datum1 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 april 2023, nummer 20-002328-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 110.801.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 105.801 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 juli 2025.