ECLI:NL:HR:2025:1049

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
30 juni 2025
Zaaknummer
23/03578
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 9.2.1.2 Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen en zorgplicht bij asbestverwijdering door niet-gecertificeerde onderaannemers

In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte, een rechtspersoon, zich schuldig had gemaakt aan medeplegen door onvoldoende maatregelen te nemen om te voorkomen dat asbest werd verwijderd door niet-gecertificeerde onderaannemers. Het hof had geoordeeld dat de verdachte de algemene zorgplicht uit artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer had overtreden door het doen afbreken van tegels in een badkamer door niet-gecertificeerde personen toe te laten.

De verdediging voerde aan dat het hof een te strenge invulling had gegeven aan de algemene zorgplicht en dat de gedraging niet aan de verdachte kon worden toegerekend omdat zij geen zeggenschap had over de gedraging en deze niet had aanvaard. Ook werd betwist of de verdachte zich voldoende had vergewist van de kennis van de onderaannemers over de aanwezigheid van asbest.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het arrest van het hof niet tot vernietiging konden leiden en wees het cassatieberoep af. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat de verdachte onvoldoende maatregelen had genomen en daarmee strafrechtelijk aansprakelijk is.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen, waardoor het hofarrest blijft staan dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk is voor medeplegen door onvoldoende maatregelen tegen asbestverwijdering.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03578 E
Datum8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 30 augustus 2023, nummer 22-002993-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G.R.A.G. Goorts bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker , en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 juli 2025.