Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
8 juli 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte, een rechtspersoon, zich schuldig had gemaakt aan medeplegen door onvoldoende maatregelen te nemen om te voorkomen dat asbest werd verwijderd door niet-gecertificeerde onderaannemers. Het hof had geoordeeld dat de verdachte de algemene zorgplicht uit artikel 9.2.1.2 van de Wet milieubeheer had overtreden door het doen afbreken van tegels in een badkamer door niet-gecertificeerde personen toe te laten.
De verdediging voerde aan dat het hof een te strenge invulling had gegeven aan de algemene zorgplicht en dat de gedraging niet aan de verdachte kon worden toegerekend omdat zij geen zeggenschap had over de gedraging en deze niet had aanvaard. Ook werd betwist of de verdachte zich voldoende had vergewist van de kennis van de onderaannemers over de aanwezigheid van asbest.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het arrest van het hof niet tot vernietiging konden leiden en wees het cassatieberoep af. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat de verdachte onvoldoende maatregelen had genomen en daarmee strafrechtelijk aansprakelijk is.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen, waardoor het hofarrest blijft staan dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk is voor medeplegen door onvoldoende maatregelen tegen asbestverwijdering.