ECLI:NL:HR:2025:1075

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
1 juli 2025
Zaaknummer
23/02776
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens kosten niet verdisconteerd

De betrokkene werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in verband met medeplegen van witwassen via een aandelentransactie. Het hof had de betalingsverplichting vastgesteld zonder rekening te houden met kosten die uit de bewijsmiddelen blijken.

In cassatie klaagde de betrokkene dat het hof ten onrechte geen aftrek had toegepast voor deze kosten. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en stelde een vermindering voor.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de kosten van €60 ten onrechte niet had verdisconteerd in de betalingsverplichting. Daarom werd het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting verminderd met dit bedrag. De overige klachten van de betrokkene werden verworpen. Het arrest werd op 8 juli 2025 gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting met €60 wegens niet verdisconteerde kosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02776 P
Datum8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juli 2023, nummer 21-000434-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat N. van Schaik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vermindering van het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 247.653,10 bedraagt en verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof kosten die uit de bewijsmiddelen blijken, niet in mindering heeft gebracht op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.
2.2
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.4 en 4.6. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en het aan de Staat te betalen bedrag te verminderen met € 60.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting;
- vermindert het bedrag van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in die zin dat de hoogte daarvan € 252.653,10 bedraagt;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 247.653,10 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 juli 2025.