Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
8 juli 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het bezit van 97,3 gram hasj. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch kwalificeerde het feit als een overtreding en stelde vast dat de bewezenverklaring niet inhield dat de verdachte het feit opzettelijk had begaan. Op grond hiervan paste het hof artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe en legde geen straf of maatregel op.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze veroordeling, beperkt tot het derde feit. De advocaat-generaal concludeerde echter tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 427 van Pro het Wetboek van Strafvordering tegen een uitspraak van het hof die betrekking heeft op een overtreding en waarbij geen straf of maatregel is opgelegd, geen cassatieberoep openstaat.
Daarom kon de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling nemen en verklaarde het niet-ontvankelijk. Dit arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 8 juli 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het hof het feit als overtreding zonder strafoplegging kwalificeerde.