Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
8 juli 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het zonder vergunning verlenen van beleggingsdiensten in de periode van 14 juli 2011 tot en met 30 juni 2013, een overtreding van artikel 2:96 lid 1 van Pro de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het hof Amsterdam had de feiten bewezen verklaard en veroordeelde de verdachte.
De Hoge Raad oordeelt dat het recht tot strafvordering voor dit feit is vervallen wegens verjaring. De absolute verjaringstermijn bedraagt twee maal zes jaren, oftewel twaalf jaren. Omdat de feiten zich meer dan twaalf jaren voor de uitspraak van de Hoge Raad voordeden, is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van dit feit.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het betrekking heeft op dit feit en verklaart het OM niet-ontvankelijk. Voor de overige tenlastegelegde feiten wordt het beroep verworpen. De Hoge Raad ziet geen reden tot terugwijzing omdat het hof bij de strafoplegging al rekening hield met de verjaring en het belang van doelmatigheid.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 8 juli 2025.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring voor het zonder vergunning verlenen van beleggingsdiensten.