Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1118

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
8 juli 2025
Zaaknummer
23/03272
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 6:106 BWArt. 6:4:20 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bepaalt schadevergoeding en maatregel bij babbeltruc-diefstal zonder toereikende aantasting persoon

In deze strafzaak gaat het om diefstal door het aannemen van een valse hoedanigheid via een babbeltruc, waarbij de verdachte de woning van het slachtoffer binnentreedt en geld en sieraden ontvreemdt. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Het hof had vastgesteld dat het slachtoffer gevoelens van angst, schuld en wantrouwen had ontwikkeld, een alarmknop kreeg en geen onbekenden meer durft toe te laten. Desondanks achtte het hof deze gevolgen niet dermate ingrijpend om te spreken van een aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in art. 6:106.b BW.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest voor zover de immateriële schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel waren toegewezen en stelde een lager bedrag en een kortere gijzelingstermijn voor. De Hoge Raad volgt dit advies en doet de zaak zelf af, waarbij de immateriële schadevergoeding wordt vastgesteld op €20.000 en de gijzelingstermijn op 135 dagen. De rest van de vordering wordt afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad stelt de immateriële schadevergoeding vast op €20.000 met een schadevergoedingsmaatregel en gijzeling van maximaal 135 dagen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03272
Datum8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 augustus 2023, nummer 23-002863-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 20.500,00 en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd en (ii) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel is bepaald dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 137 dagen kan worden toegepast, tot het bepalen dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij is toegewezen € 20.000,- bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd voor dat bedrag, en dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van ten hoogste 135 dagen kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij [benadeelde 1] en over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 14 tot en met 18. Om de redenen zoals vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 20, zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend (i) voor zover de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen tot een bedrag van € 20.500 en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van dat slachtoffer is opgelegd en (ii) wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan deze schadevergoedingsmaatregel;
- bepaalt dat het bedrag waarvoor de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is toegewezen € 20.000 bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel tot betaling aan de Staat is opgelegd voor dat bedrag, verklaart ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregel dat met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling van 135 dagen kan worden toegepast, en verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 juli 2025.