ECLI:NL:HR:2025:1125

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2025
Publicatiedatum
10 juli 2025
Zaaknummer
23/02354
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 36e lid 3 SrArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij invoer cocaïne

De betrokkene is in hoger beroep veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot de invoer van cocaïne. Het hof Amsterdam heeft de methode van eenvoudige kasopstelling toegepast voor de waardebepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene voerde verweren aan tegen de toerekening van bepaalde sieraden en stelde dat de gestorte gelden op de bankrekening een legale oorsprong hadden. Deze verweren zijn door het hof verworpen. In cassatie heeft de betrokkene deze punten aangevoerd, maar de Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest.

De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, maar ziet geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden. Dit oordeel wordt gegeven in samenhang met een andere strafzaak die bij de Hoge Raad aanhangig is en waarin de termijnoverschrijding eveneens aan de orde is.

Het beroep in cassatie wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02354 P
Datum11 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2023, nummer 23-002647-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 23/02357, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 juli 2025.