Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
11 juli 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een zorgmachtiging te verlenen voor betrokkene, die niet verscheen bij de eerste zitting en ondubbelzinnig aangaf geen bijstand van haar toegevoegde advocaat te willen. De rechtbank verleende een zorgmachtiging voor tien maanden en nam aan dat betrokkene afstand deed van haar recht op rechtsbijstand.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of betrokkene een andere advocaat wenste nadat zij de oorspronkelijke advocaat had geweigerd, zoals vereist is op grond van art. 1:7 Wvggz Pro in verbinding met art. 44 lid 2 Sv Pro. Tevens is niet voldaan aan de strenge voorwaarden om aan te nemen dat betrokkene in vrijheid en ondubbelzinnig afstand deed van haar recht op rechtsbijstand, mede gelet op haar kwetsbare positie.
Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking van 20 juni 2024 en wijst het geding terug naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. De overige klachten worden niet behandeld omdat ze niet van belang zijn voor de rechtsontwikkeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst het geding terug naar de rechtbank voor nader onderzoek en beslissing.