ECLI:NL:HR:2025:1207

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 augustus 2025
Publicatiedatum
26 augustus 2025
Zaaknummer
24/01571
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 437 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 140a.1 Sr
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens niet voldoen aan wettelijke cassatiemiddelen

De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een strafzaak wegens deelname aan een terroristische organisatie. Namens verdachte zijn cassatiemiddelen ingediend, maar deze voldeden niet aan de wettelijke vereisten omdat zij geen stellige en duidelijke klachten bevatten over schending van rechtsregels of vormvoorschriften.

De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De raadsman van verdachte deed na het verstrijken van de wettelijke termijn een verzoek tot aanhouding van de zaak, maar de Hoge Raad wees dit verzoek af.

De Hoge Raad oordeelde dat alleen middelen die voldoen aan de wettelijke criteria in cassatie onderzocht worden. Omdat de ingediende klachten niet aan deze criteria voldeden, werden zij onbesproken gelaten. De enige resterende klacht betrof een overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, waarop de Hoge Raad het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaarde.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet voldoen aan wettelijke cassatiemiddelen en het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01571
Datum26 augustus 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 april 2024, nummer 22-002865-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.Th. Nooitgedagt bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De cassatiemiddelen zijn schriftelijk toegelicht.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. De raadsman heeft daarbij ook – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn – het verzoek gedaan tot aanhouding van de zaak. De Hoge Raad is van oordeel dat geen grond bestaat voor toewijzing van dat verzoek.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Alleen een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen kan als zo’n cassatiemiddel worden aangemerkt. De als cassatiemiddelen I en II aangeduide klachten voldoen niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moeten blijven. Nu de schriftuur verder enkel de klacht bevat dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 augustus 2025.