Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
5.Beslissing
9 september 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van zijn echtgenote en kreeg een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee voorwaardelijk, opgelegd. Daarnaast werd een vrijheidsbeperkende maatregel van drie jaar opgelegd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer, met een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.
In cassatie klaagde de verdachte onder meer dat het contactverbod onrechtmatig inbreuk maakte op zijn familieleven met zijn jonge dochter, beschermd door artikel 8 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat dit verweer niet in hoger beroep was aangevoerd en daarom niet in cassatie kan worden behandeld. Tevens wees de Hoge Raad op de mogelijkheid om de inhoud van de maatregel te wijzigen op grond van artikel 6:6:23a1 Sv.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat er ernstig rekening moest worden gehouden met herhaling van strafbare feiten of belastend gedrag, zoals vereist voor dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel volgens artikel 38v lid 4 Sr. Daarom vernietigde de Hoge Raad het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid en wees het beroep voor het overige af.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, maar dit leidde niet tot een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde straf. De overige klachten werden verworpen zonder nadere motivering.
Uitkomst: Het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van het contactverbod wordt vernietigd; het beroep wordt voor het overige verworpen.