ECLI:NL:HR:2025:1221

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2025
Publicatiedatum
29 augustus 2025
Zaaknummer
23/03064
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 116 lid 3 SvArt. 134 lid 2 SvArt. 552a lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beslissing niet-ontvankelijkheid beklag inzake teruggave inbeslaggenomen reisdocumenten

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland die klager niet-ontvankelijk verklaarde in zijn beklag over de teruggave van verschillende inbeslaggenomen reisdocumenten. Klager was verdachte van het voorhanden hebben van valse reisdocumenten en had onder meer creditcards, rijbewijzen en identiteitskaarten in beslag.

De rechtbank oordeelde dat het beslag op de meeste documenten was beëindigd doordat deze waren teruggegeven aan de afgevende instanties, en verklaarde klager niet-ontvankelijk in zijn beklag. De Hoge Raad stelt vast dat klager schriftelijk afstand heeft gedaan van een voorwerp en dat een ander voorwerp reeds aan klager was teruggegeven, waardoor klager niet-ontvankelijk is voor die twee voorwerpen.

Voor de overige voorwerpen oordeelt de Hoge Raad dat de officier van justitie niet de vereiste kennisgeving aan klager heeft gedaan over de teruggave aan derden, waardoor de rechtbank ten onrechte klager niet-ontvankelijk verklaarde. De Hoge Raad vernietigt die beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbeoordeling en afdoening van het beklag.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk voor twee voorwerpen, vernietigt niet-ontvankelijkverklaring voor andere en wijst zaak terug voor herbeoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03064 B
Datum9 september 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2023, nummer RK 23/010534, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat L. Stolk-Hogeterp bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot (i) niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep voor zover dat mede betrekking heeft op de in beslag genomen voorwerpen met de volgnummers 1-7, 12, 17-19, 21, 29-31, 33, 38-41 en 43; en tot (ii) vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag voor zover dat betrekking heeft op de in beslag genomen voorwerpen met de volgnummers 8-11, 13-16, 20, 22-28, 32, 34-37 en 42, en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Namens de klager is bij de rechtbank een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend dat strekt tot teruggave aan de klager van onder hem inbeslaggenomen voorwerpen. In haar beschikking heeft de rechtbank met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen met de nummers 8 tot en met 16, 20, 22 tot en met 28, 32, 34 tot en met 38 en 42 – waaronder creditcards, rijbewijzen en een identiteitskaart – de klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag. De rechtbank heeft daartoe overwogen:
“De rechtbank stelt vast dat het beslag gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro op bovengenoemde documenten reeds is beëindigd omdat alle documenten zijn teruggegeven aan de afgevende instanties blijkens de mededeling op pagina 64 van het (digitale) dossier. De rechtbank zal de klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag.”
Het cassatieberoep is uitsluitend gericht tegen deze beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring in het beklag.
2.2.1
Wat betreft het voorwerp met nummer 12 is van belang dat gelet op een afschrift van een afstandsverklaring van 2 februari 2023, dat zich bij de stukken bevindt, de klager schriftelijk afstand heeft gedaan van dat voorwerp. Dat betekent dat de klager in zoverre niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 552a lid 1 Sv.
2.2.2
Wat betreft het voorwerp met nummer 38 moet op grond van een afschrift van de kennisgeving van inbeslagneming van 10 februari 2023, dat zich bij de stukken bevindt, worden aangenomen dat dit voorwerp is teruggegeven aan de klager. Dit betekent dat het beslag op dit voorwerp al was beëindigd op het moment van de beslissing op het klaagschrift (vgl. artikel 134 lid Pro 2, aanhef en onder a, Sv).
2.3
Het vorenstaande brengt met zich dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling kan nemen voor zover dat ziet op de beslissing van de rechtbank in relatie tot de voorwerpen met de nummers 12 en 38.

3.Beoordeling van het cassatiemiddel voor zover het beroep ontvankelijk is

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag en voert daartoe in de kern aan dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat door de officier van justitie inbeslaggenomen voorwerpen zijn teruggeven aan een ander dan de klager, tevens de beslagene, zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 116 lid 3 Sv Pro.
3.2
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.8-3.9 en 3.11-3.13.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart de klager niet-ontvankelijk voor zover het cassatieberoep betrekking heeft op de voorwerpen met de nummers 12 en 38;
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag voor zover dat betrekking heeft op de inbeslaggenomen voorwerpen met de nummers 8-11, 13-16, 20, 22-28, 32, 34-37 en 42;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 september 2025.