ECLI:NL:HR:2025:1226

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2025
Publicatiedatum
1 september 2025
Zaaknummer
24/01472
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet RO
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot doodslag na schietincident in discotheekwachtrij

In de oudejaarsnacht van 2020 schoot de verdachte in Beek na een ruzie met beveiligers met een vuurwapen meerdere keren in de richting van bezoekers die in de wachtrij stonden bij een discotheek. De rechtbank sprak de verdachte vrij van poging tot doodslag. Het hof verklaarde in hoger beroep dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het doden van alle personen die toen in de wachtrij stonden, bestaande uit ongeveer 20 à 30 personen.

De verdachte stelde in cassatie onder meer een bewijsklacht in tegen het opzet op doodslag. De Hoge Raad oordeelde dat de klacht niet tot cassatie leidt, mede omdat het bewezenverklaring van het hof zodanig kan worden gelezen dat het opzet op het doden van de aanwezigen in de wachtrij is vastgesteld. Het hof baseerde zich op het feit dat de verdachte gericht schoten loste op een groep mensen, waarbij kogels insloegen op plaatsen waar vitale organen zich bevinden.

De Hoge Raad wees ook andere klachten af zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, maar verbond hieraan geen rechtsgevolgen. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de vrijspraak in eerste aanleg en het oordeel van het hof in stand bleven.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt dat verdachte voorwaardelijk opzet had op dood van personen in wachtrij bij discotheek.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01472
Datum2 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 april 2024, nummer 20-001050-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.E.W.J. Maessen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat D.H. Andries bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het onder 2 bewezenverklaarde.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 en 3.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel van de verdachte en van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 september 2025.