Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1235

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
3 september 2025
Zaaknummer
25/00116
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieHoofdstuk III Wet waardering onroerende zakenHoofdstuk IV Wet waardering onroerende zakenArtikel 3 Verordening riool- en waterzorgheffing Westland 2022Artikel 5 Verordening riool- en waterzorgheffing Westland 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onherroepelijkheid WOZ-objectafbakening bij rioolheffing

Belanghebbende, een B.V., was tegen de voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de rioolheffing van de gemeente Westland in hoger beroep gegaan. De kern van het geschil betrof de objectafbakening waarop de WOZ-waarde is gebaseerd, die volgens belanghebbende onjuist was en vernietiging van de aanslag rechtvaardigde.

Het Gerechtshof Den Haag verwierp dit standpunt en oordeelde dat de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing rechtstreeks verwijst naar de WOZ-objectafbakening, waardoor deze niet in bezwaar en beroep tegen de aanslag kan worden aangevochten. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de objectafbakening en de vastgestelde WOZ-waarde lijdelijk zijn ten opzichte van de aanslag in de rioolheffing.

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van belanghebbende beoordeeld, maar deze konden niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-objectafbakening blijft onherroepelijk bij de aanslag rioolheffing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/00116
Datum19 september 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE WESTLAND
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 december 2024, nr. BK-23/1128 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/3286) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de rioolheffing voor eigenaren.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door Z.M. Nasir, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Aan belanghebbende is voor het kalenderjaar 2022 een aanslag in de rioolheffing van de gemeente Westland opgelegd voor de eigendom van een onroerende zaak (hierna: de aanslag).
2.2
In de Verordening op de heffing en de invordering van riool- en waterzorgheffing Westland 2022 (hierna: de Verordening) is in artikel 3, leden 1 en 2 bepaald dat het voorwerp van de belasting een perceel is, en dat als perceel onder meer wordt aangemerkt: de onroerende zaak als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). De rioolheffing wordt op grond van artikel 5, lid 1, van de Verordening van eigenaren geheven naar de waarde in het economische verkeer van het perceel. Volgens het tweede lid van artikel 5 is Pro dat de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ voor de onroerende zaak vastgestelde waarde.

3.De oordelen van het Hof

Belanghebbende heeft zich voor het Hof onder meer op het standpunt gesteld dat de aanslag moet worden vernietigd omdat die berust op een onjuiste objectafbakening. Het Hof heeft dit standpunt verworpen. Het heeft daartoe geoordeeld dat in deze procedure over de aanslag niet de objectafbakening aan de orde kan komen, aangezien de Verordening voor het voorwerp van belasting rechtstreeks verwijst naar (de objectafbakening in) de Wet WOZ.

4.Beoordeling van de klachten

4.1
De klachten zijn onder meer gericht tegen het hiervoor in 3 bedoelde oordeel van het Hof. In zoverre falen de klachten, aangezien het oordeel van het Hof juist is. Wat betreft de maatstaf van heffing bij eigenaren, zijnde de waarde in het economische verkeer van het perceel, verwijst artikel 5, lid 2, van de Verordening naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ voor de onroerende zaak vastgestelde waarde. De lijdelijke positie die de Verordening daarmee inneemt ten opzichte van de WOZ-beschikking, staat eraan in de weg dat de objectafbakening op grond waarvan de waarde in het kader van de Wet WOZ is bepaald en vastgesteld, aan de orde wordt gesteld in bezwaar en beroep tegen de belastingaanslag. [2] Daarom kunnen zowel de bij beschikking vastgestelde waarde als de objectafbakening waarop die waardevaststelling is gebaseerd, niet aan de orde worden gesteld in bezwaar en beroep tegen een belastingaanslag in deze rioolheffing.
4.2
De Hoge Raad heeft ook de overige de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.

Voetnoten

2.Vgl. Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 16-17 en 24.