Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 september 2025.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om een verzoek tot fondsvorming te behandelen op grond van art. 12 lid 1 van Pro het CLNI 2012, terwijl op het moment van indiening van dat verzoek alleen in België een rechtsgeding over de aansprakelijkheid aanhangig was. Het binnenvaartschip Perficio vaarde tegen de Humbeekbrug in België, waardoor aanzienlijke schade ontstond. DVW, beheerder van het kanaal en de brug, stelde Perficio Shipping c.s. aansprakelijk en startte een procedure in België. Tegelijkertijd werd in Nederland een verzoek tot fondsvorming ingediend.
De rechtbank Rotterdam en het hof Den Haag oordeelden dat de Nederlandse rechter bevoegd was, waarbij het hof de uitleg van art. 12 lid 1 CLNI Pro 2012 bevestigde. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en stelt dat het toetsmoment voor de bevoegdheid het moment van uitspraak is, niet het moment van indiening van het verzoek. Ook is het aan de scheepseigenaar om te kiezen in welke verdragsstaat hij het fonds vormt, zolang daar een rechtsgeding aanhangig is of kan worden gemaakt.
De Hoge Raad benadrukt dat art. 12 lid 1 CLNI Pro 2012 geen beperking inhoudt dat fondsvorming alleen kan plaatsvinden in de verdragsstaat waar het eerste rechtsgeding is gestart. Het doel van deze bepaling is het voorkomen van forumshopping door de schuldenaar, maar laat meerdere rechtsgedingen in verschillende verdragsstaten toe. Het beroep van DVW wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter tot fondsvorming en verwerpt het cassatieberoep van DVW.