Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
16 september 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van de uitvoer van cocaïne en heroïne naar Denemarken en deelname aan een criminele organisatie. Het hof Amsterdam had de verdachte veroordeeld en een gevangenisstraf opgelegd van 3 jaar, die in hoger beroep werd verminderd tot 2 jaar en 8 maanden.
De verdachte stelde in cassatie verschillende klachten in, onder meer over de betekening van de dagvaarding en de redelijke termijn in hoger beroep. De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij was het niet nodig om de motivering nader toe te lichten, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand blijft. Hiermee is de strafrechtelijke veroordeling en de opgelegde straf definitief geworden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van 2 jaar en 8 maanden voor medeplegen uitvoer van cocaïne en heroïne en deelname aan een criminele organisatie.