ECLI:NL:HR:2025:126

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2025
Publicatiedatum
24 januari 2025
Zaaknummer
22/02947
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138 lid 1 SrArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak in cassatie voor medeplegen erfvredebreuk door toegang tot besloten gemeentelijk erf

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd vrijgesproken van medeplegen van erfvredebreuk door het wegslepen van betonblokken en het wederrechtelijk betreden van een besloten erf van de gemeente.

De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte verworpen. De klachten tegen de bewezenverklaring, waaronder de vraag of het perceel als besloten erf kon worden aangemerkt en of sprake was van wederrechtelijk vertoeven, werden niet gegrond verklaard. Het hof had gemotiveerd vastgesteld dat het perceel was afgesloten met betonblokken en dat verdachte en medeverdachten op de hoogte waren van sommatiebrieven van de gemeente om het erf te verlaten.

Daarnaast werd het verweer dat een schorsing van een last onder dwangsom betekende dat er geen strafbaar feit was gepleegd, verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat dit gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van €500 geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg.

Het arrest bevestigt daarmee het oordeel van het hof en sluit het cassatieproces af met een verwerping van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd met een geheel voorwaardelijke geldboete van €500.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02947
Datum28 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juli 2022, nummer 20-001818-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.H.S. Brinkman, advocaat in Heerlen, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat sprake was van het “bij de gemeente [plaats] in gebruik” zijn van het in de bewezenverklaring bedoelde erf.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 22/02945, ECLI:NL:HR:2025:124.

3.Beoordeling van het eerste, het derde en het vierde cassatiemiddel

3.1
De cassatiemiddelen komen met verschillende klachten op tegen de bewezenverklaring.
3.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2, 4, 6 en 7.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 500 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 januari 2025.