ECLI:NL:HR:2025:1308

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2025
Publicatiedatum
15 september 2025
Zaaknummer
23/01052
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 245 Sr (oud)
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafoplegging ontuchtzaak ondanks bewijsklacht

De zaak betreft een cassatieberoep van een 21-jarige verdachte die werd veroordeeld voor ontucht met een 15-jarig meisje. De verdachte stelde een bewijsklacht in tegen het hofarrest, met name dat het hof de als kennelijk leugenachtig aangemerkte verklaring van de verdachte niet had meegenomen in de opsomming van bewijsmiddelen.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest enkel voor wat betreft de strafoplegging, met een voorstel tot strafvermindering, maar verwierp het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en zag geen noodzaak tot nadere motivering vanwege het ontbreken van belang voor de rechtsontwikkeling.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 167 voorwaardelijk, vond de Hoge Raad dat dit niet tot andere rechtsgevolgen hoefde te leiden.

De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het hofarrest, waarmee de strafoplegging ongewijzigd bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafoplegging van 240 dagen gevangenisstraf, waarvan 167 voorwaardelijk.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01052
Datum16 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 maart 2023, nummer 22-001948-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 167 dagen voorwaardelijk en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 september 2025.