Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2025, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd behandeld. De zaak betrof een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2017, inclusief de daarbij behorende beschikking inzake belastingrente.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.